|
In het jaar 1950 voeren we met het m.s. "Mataram" van de
Koninklijke Rotterdamsche Lloyd van Honolulu naar
Seattle. Het weer was mooi maar er stond een sterke
deining. Kort voor ons vertrek uit Rotterdam had men uit
de stalen wand van het stuurhuis met de snijbrander een
deuropening uit-
gesneden. Hutten werden daardoor van buitenaf
gemakkelijker bereikbaar.

Er was geen tijd meer om er een stalen waterdichte deur
in te zetten, dat zou na de volgende reis gebeuren. De
randen waren ruw en onafgewerkt en hier en daar gemeen
scherp. Vóór deze opening was het open stalen hoofddek.
Op zekere dag stond hier een olieman
(machinekamerpersoneel) over de zee uit te kijken. Hij
wachtte tot hij door de 1e Machinist zou worden geroepen
voor een gesprek indiens hut. Toen hij geroepen werd nam
hij een korte aanloop om over de hoge drempel te
springen. Op schepen zijn de drempels van buitendeuren
altijd zo’n 25 cm. hoog om te voorkomen dat overslaand
zeewater naar binnenstroomt. De man raakte met z'n
voorhoofd de scherpe ruwe bovenkant van de deuropening
en werd daardoor letterlijk gescalpeerd. Zijn behaarde
hoofdhuid zat geplooid op zijn achterhoofd. Op dat
moment was ik in mijn kantoortje bezig met de
scheepsadministratie en mijn gedachten gingen zo nu en
dan terug naar de mooie Hulameisjes in Honolulu.
Plotseling was er stemmenrumoer en de roep "Pa, Pa!” Ik
ging op het geroep af en trof de man aan in een grote
plas bloed. Het ontvelde bot van zijn schedel blonk als
parelmoer in het zonlicht. Zijn ogen waren gesloten en
ik verwachtte dat hij in shock was geraakt. Voorzichtig
werd hij door vele handen naar het scheepshospitaaltje
gebracht. Daar poogde ik de bloeding te stelpen. Terwijl
ik daarmee bezig was kwam de man weer bij. Pols en
ademhaling werden langzaamaan weer normaal. De patiënt
werd hoog in de kussens gezet en kreeg een voorlopig
drukverband. De bloedingen namen af en zijn pupillen
waren niet meer verwijd. Van shock gelukkig geen sprake meer.

En daar sta je dan en het flitste door me heen; hier
moet ik wat aan doen, dit kan ik zo niet laten, die
hoofdhuid moet terug! Maar dat kan niet bij volle
bewustzijn. Ik moet hem onder narcose brengen, een
alarmerende gedachte, Oei, en dat midden op de oceaan en
op een deinend schip met alleen de Scheepstimmerman om
me te assisteren en op pols en ademhaling te letten. Hoe
ging dat ook al weer? Het was alweer zo lang geleden.
Ja, met Pentothal maar hoeveel? Ik moest ergens tussen
mijn boeken een tabel hebben en die was gauw gevonden.
De patiënt heette Oetse, was goed gebouwd en ca. 32 jaar
oud. Ik vroeg: "Joh wat weeg je?" en hij zei: “Schoon
aan de haak 85 kilo Pa”.

Ik las de hoeveelheid Pentothal die bij dit gewicht
paste van de tabel en maakte de spuit gereed. Tegen
Oetse zei ik: "Ik ga je nu onder narcose brengen, tel
straks maar van een tot tien". Tijdens de intraveneuse
injectie telde hij maar kwam niet ver. We legden de
patiënt in zijligging zodat de tong tijdens de operatie
niet naar achter kon zakken en zo de luchtweg blokkeren.
Samen verwijderden we het drukverband. De deining was
zeer hinderlijk. De Timmerman lette weer op pols en
ademhaling en ik hield me bezig met het weer op zijn
plaats brengen van de naar achter geschoven hoofdhuid.
Gelukkig was er geen zichtbare botbreuk maar op de
hechtingen kwam veel spanning te staan waardoor sommige
inscheurden. Ondanks dat bereikte ik toch een lange,
goed sluitende wond welke ik op enkele plaatsen met
agraves (zilveren krammetjes) moest versterken. Het
eindresultaat was een wat rafelige wond van 24 cm.
Lengte. Na wat wound-cleaning hebben we samen met veel
moeite een tulbandachtig verband aangelegd. Het geheel
duurde uren. Tenslotte zit je samen te wachten of de
patiënt wel bij zal komen, dat was zeer spannend. Opeens
bewoog hij, deed zijn ogen open, glimlachte, voelde aan
zijn hoofd en zei: “Ha, Pa!” De spanning brak en ik
vroeg of hij iets wilde eten of drinken, zeg het maar”.
Het antwoord was: “Pa, ik barst vande honger en ik wil
graag Nasi Goreng met alles erop en eraan".

Ik verzocht mijn onschatbare Timmerman naar de kombuis
te gaan en voor drie man nasi te bestellen. Daar hebben
we met z’n drieën van gesmuld en gedronken.
Twee dagen en nachten bleef hij in het
scheepshospitaaltje en ik sliep in het andere bed. Hij
kreeg veel bezoek en soms was het dolle pret. Daarna
mocht de ‘sultan’ (vanwege zijn verband) weer naar zijn
eigen kooi. De patiënt was jong en sterk en in goede
conditie waardoor hij voorspoedig genas.

Jan Helsloot, oud KRL-Verpleger/schrijver
|