|

Zoals jullie weten werd eens in de zoveel tijd een
brandoefening of brandrol aan boord gehouden. Iedereen
was dan op zijn, van te voren, vastgestelde post en een
gefingeerde brand ergens aan boord werd dan geblust. We
hadden net een nieuwe Kapitein aan boord van de
“Salatiga” gekregen toen we in 1952 uit Los-Angeles vertrokken
voor de oversteek van 21 dagen naar Manilla op de
Filippijnen. Dit betekende drie weken op zee met ups en
downs. De ene keer een week van zes dagen, de andere
keer was je twee keer jarig (datumgrens). ‘s Avonds
zaten we dan meestal te kaarten (pokeren of
klaverjassen). Menige slof Chesterfield is dan ook van
eigenaar verwisseld, of je ging 's morgens kijken of er
een visje aan dek lag. Omdat we nogal diep geladen
waren, vloog er wel eens een vliegend visje aan boord,
dan gingen we ’s morgens kijken of er geen vliegende vis
aan boord was gevlogen. De een at hem op, de ander
maakte hem schoon, spijkerde hem op een plankje,
vleugeltjes uitgespreid en een half pakje zware shag
erin, dichtnaaien, in de lak zetten, en je had een
prachtig opgezette vliegende vis. We waren net twee
dagen op zee, om twee uur ‘s middags werd het alarmsein
“ brandrol” gegeven.

De “Ouwe” stond met argusogen op de brug te kijken hoe
we de brand te lijf gingen en terwijl het in onze ogen
best goed gegaan was, hoorden we later van de Bootsman
dat het volgens de Kapitein nergens op leek. We hoorden
een paar dagen niets, maar zagen hem wel met gefronste
wenkbrauwen op de brug ijsberen, totdat de 1e Stuurman
kwam vertellen dat de Kapitein op een lumineus idee was
gekomen.

Hij liet een klein rood bordje maken met het woord:
“BRAND” erop, inclusief touwtje zodat het bordje ook nog
opgehangen kon worden. Degene die het bordje vond moest
dan onmiddellijk brandalarm slaan en zou later met een
paar pilsjes beloond worden. Mooi is dat dachten wij en
we zagen ons al elke nacht achter de slangen staan, maar
ja, er is tenslotte maar één baas aan boord en achteraf
is het ook wel goed een getrainde brandploeg te hebben.
De eerste dagen hoorden of zagen we niets van het
bordje, maar wat was het geval …………… De Kapitein had het
ergens onderin de machinekamer verstopt, waar bijna
niemand kwam. Maar dat werd wel even gauw verholpen, en
de komende dagen werd het om de haverklap gevonden, op
de meest voorkomende plaatsen waar je het eigenlijk niet
kon mislopen. Na zo’n vier keer in de week een
brandalarm te hebben meegemaakt (ook ‘s nachts als je
net van wacht lekker lag te pitten) begonnen er hier en
daar toch wat zachte protesten te klinken. Er werd bij
de bemanning overlegd en uiteindelijk dachten we er iets
op gevonden te hebben. Er werd afgesproken dat de
eerstvolgende die dat “onding” zou vinden, het
vervolgens een “zeer uitgelezen” bestemming zou geven.
Zo kon het gebeuren dat twee dagen (‘s nachts om half
drie) brandalarm werd gegeven, en de brandhaard
gelokaliseerd was bij de hut van de “Ouwe”. Het bordje
hing mooi aan zijn hutdeur en de Stuurmansleerling die
het had gevonden, kon niets anders dan alarm slaan.
Binnen vijf minuten was iedereen op de plek des onheils,
slangen uit, deur open en toen draaide iemand (dat was
eigenlijk de bedoeling niet, maar tot op de dag van
vandaag weten we nog steeds niet wie dat geweest is) de
kraan open. Drie dagen zijn de bedienden bezig geweest
de hut een beetje droog te krijgen, terwijl de kleren
van de Kapitein hoog aan de lijn hingen te drogen.
Er is
niet gestraft, maar het bordje hebben we nooit meer
gezien!

Jan den Heijer
Oud KRL-Kabelgast - Baarn. |