|

Het was 1954 en ik maakte als 15-jarige mijn tweede reis
als één van de vijf “logiesjongens” op onze prachtige
Grand Old Lady, de Willem Ruys. Twee logiesjongens
zorgden tijdens de reis voor de olielieden (28
personen), twee logiesjongens voor de matrozen en
kwartiermeesters (35 personen) en een logiesjongen had
de titel “bootsmansjongen”. Als je die titel had, werd
je de volgende reis “lichtmatroos” of ging je de
machinekamer in, maar dat was afhankelijk van een
gesprek met de bootsman. Aan “de boots” gaf je aan welke
richting je op wilde.
In die tijd hadden de meeste olielui en matrozen de
Tweede Wereldoorlog op zee meegemaakt, dus zij wisten
wel van wanten, zeker ook wat hun “uitdrukkingen”
betreft. Je leerde als logiesjongen al gauw van alles
bij. Vooral voor een 15 jarige jongen was het aardig
buffelen geblazen, de soepketels waren ongeveer even
groot als jezelf en als je niet vlug genoeg was, werd
het eten vanaf de kombuis naar het voorschip al koud
voordat het was opgediend .............. dan kreeg je
er, in stevige bewoordingen, aardig van langs ..........
maar ja, daar word je groot van, nietwaar?!
Tussen 14.00 en 16.00 uur had je vrij, anders zouden de
werkdagen te lang worden. Op een middag werd er in die
vrije uurtjes besloten om met de andere logiesjongens
een onderzoekstocht te ondernemen naar die gedeeltes van
het schip waar de gewone bemanning niet mocht komen. Zo
kwamen we uit bij de eerste klas eetsalon. Omdat de
diverse bedienden altijd hun handen vol hadden, gingen
de eetsalondeuren met een harde klik automatisch open (electrisch
oog). Wij hadden uitgevonden dat je onder de electrische
straalbundel doorkruipend de deuren met de hand kon
opendrukken en dit maakte dan geen herrie! Wij dus naar
binnen en zagen, geheel onder de indruk, op de gedekte
tafels prachtig opgemaakte taarten staan welke bestemd
waren voor het diner. Het was muisstil in de eetsalon
............ er was niemand aanwezig dus besloten wij
ter plekke dat er best wel twee van die heerlijke
taarten naar het voorschip (ons verblijf aan boord)
mochten.

Net toen we met onze kersverse buit de salon wilden
verlaten, kwam de hofmeester binnen en waren we de
pineut ............. we zouden er zeker nog meer van
horen! Terug in ons eigen territorium kwam al gauw
bootsman J.H. Kuling aanlopen en die vroeg ons, toch wel
wat geamuseerd, wat we hadden uitgespookt. Nadat we
alles eerlijk hadden opgebiecht, vertelde de bootsman
ons dat we de volgende ochtend om 11.00 uur bij kapitein
C.C. Goedewagen in de kaartenkamer moesten aantreden. De
bootsman zelf moest, evenals voorman P.C. Janssen, in
“pakkie Tutup” ook mee. Wij werden zo ter verantwoording
geroepen bij kaptitein Goedewagen.

Kapitein C.C. Goedewagen
We waren uiteraard keurig op tijd en netjes in schoon
matrozenpak ...... daar stonden we dan in het gelid en
wachtten nerveus op de dingen die zouden gaan gebeuren.
Kapitein Goedewagen en 1e stuurman S. Tuinhout kwamen
achter een gordijn vandaan en het werd zowaar een heel
betoog. Nu was het zo dat ik voor mijn leeftijd vrij
fors was, dus stak ik wat lengte betreft wat boven de
andere jongens uit. Ik werd daardoor kennelijk
automatisch het aanspreekpunt van de kapitein. Doordat
hij mij constant aankeek werd ik nog nerveuzer en begon
uit pure zenuwen te glimlachen ............ tja, toen
had ik het dus helemaal gedaan. De kapitein verzekerde
mij dat ik de grootste boef was (qua lengte klopte dat
wel!). Als ik mijn gedrag niet direct ging verbeteren,
zou ik bij Hoek van Holland van boord worden gehaald en
tot mijn 21e jaar naar een opvoedingsgesticht moeten.
Toen we op het voorschip terugkwamen, vertelde de
bootsman mij dat ik de volgende reis bootsmansjongen zou
worden,dat maakte weer heel wat goed. Toen we in Hoek
van Holland aankwamen, heb ik toch nog argwanend gekeken
of er geen bootje van een opvoedingsgesticht kwam
aanvaren, maar gelukkig niks van dat alles!
Zo, dat was mijn verhaal en dat voor toentertijd 65
gulden bruto per maand! Wanneer ik in het fotoalbum van
de museumwebsite foto’s van kapitein Goedewagen zie,
moet ik vaak aan dit verhaal terugdenken, vooral nu ik
mijn kleinzoon van 15 jaar oud zie.
|
|
Het is januari 1955 en ondergetekende logiesjongen is
inmiddels opgeklommen tot de rang van “Lichtmatroos” op
de Willem Ruys en 16 jaar oud. Bij vertrek uit Rotterdam
was ik door de bootsman het maatje gemaakt van
kwartiermeester Jan van het Lam. In dagdienst hadden wij
bepaalde vaste werkzaamheden: ‘s morgens dekwassen en
elke dag een dekdeel boenen met caustic soda. Dat was
dan meestal om 07.30 uur klaar en daarna was het
uiteraard ontbijten geblazen. De kwartiermeester en ik
kwamen beiden uit Vlaardingen dus we hadden wel stof om
te praten. Het grappige was dat al de oudere matrozen
een bezem hadden met een lange steel zodat zij rechtop
liepen tijdens het boenen en ik had een bezemsteel zo
kort dat ik zowat op mijn knieën moest gaan zitten om te
kunnen boenen. Toen ben ik ook maar rechtop gaan lopen
met de bezem een halve meter boven dek ..........
niemand had het door .......... zoveel matrozen liepen
er.

Na het eten gingen Jan en ik de sloepen schoonmaken. De
reddingsloepen hingen half onder het 1e klas
promenadedek. Dat betekende dat passagiers die aan de
reling stonden en dachten iets overboord te gooien, het
niet in zee maar in de sloepen wierpen. Regelmatig
moesten we alle reddingsloepen met een emmer door
kruipen om het vuil er uit te halen. Vanuit de sloepen
konden we in de luxe hutten kijken en telkens gaf ik Jan
aan dat hij mij moest waarschuwen als hij iets “vreemds”
zag. Op gegeven moment zag ik wel heel vreemde dingen,
zoals uitbundige sexpartijen gepaard gaande met
gymnastiekoefeningen. Dat gaf ik dan op mijn beurt weer
aan Jan door die vervolgens ook naar de gymnastiekles
keek en direct daarna zei dat we feitelijk niet
“mochten” kijken. In de sloepen vonden we van alles:
lege pakjes sigaretten, rubberwerk om te gymnastieken,
etc. etc. Het enige enge was het gapende gat van een
dikke meter als je van de ene sloep naar de andere
overstapte. Je zag de zee peildiep onder je, maar ja, na
een tijdje went dat wel.

Op een zekere dag vond ik een mooie gouden armband, die
ik vervolgens aan de hofmeester heb afgegeven (dezelfde
hofmeester die ons met die gepikte taarten betrapte!).
Na een paar dagen had een Amerikaans passagieres van ca
18 jaar aangifte gedaan van het verlies van de armband.
Haar vader stond er op dat zij mij persoonlijk bedankte,
hetgeen op het 1e klas promenadedek, met een dikke kus,
gebeurde. Alle aanwezige passagiers stonden te klappen
......... ik trots!!
|
Wist u dat de
tweede schoorsteen van de Willem Ruys maar gedeeltelijk
als schoorsteen dienst deed? Deze “halve nepper” was van binnen zeegroen
geschilderd en kon dienst doen als mortuarium. Dat heb
ik overigens tijdens mijn vaartijd niet meegemaakt. Op
de terugreis van Indonesië naar Nederland vlogen er
regelmatig zo’n 4000 vogeltjes in rond. Dit was dus
levende lading die Jan en ik elke dag moesten voeren.
Als er dode vogeltjes waren, moesten we, als bewijs voor
de verzekering, de rechterpootjes afsnijden. Bij de
timmerman in zijn werkplaats stonden wel zo,‘n 50
aquaria waarin tropische vissen ook als lading werd
vervoerd. Op hetzelfde schoorsteendek stonden ook een
stuk of 15 hondenkennels voor honden van passagiers. Ook
voor deze “betalende” honden moesten wij zorgen.

Als het slecht weer was, hadden we weer een andere, niet
te versmaden, job. Tijdens de stevig doorzettende
moessonwinden waren meestal veel passagiers zeeziek. Jan
en ik gingen dan ieder met een emmer zand door de
passagiersgangen en overal waar we kots zagen liggen,
moest daar een hand zand over. Je moest natuurlijk goed
uitkijken want voordat je het wist lag je op je
snufferd.

In maart 1955 verdaagden we op de terugreis in de Golf
van Biscaye in flink stormweer. De Willem Ruys ging zo
te keer dat de twee uitbouwvleugels op het achterschip
soms door het zeewater sleepten. In Rotterdam kwamen
vervolgens vier grote verhuiswagens het kapotte
meubilair van boord halen. Het kombuis bleek toen ook
niet de veiligste plek aan boord ........ er waren zelfs
een paar koks met gebroken ledematen!

Arie Smit, oud KRL-Matroos
Zevenbergen: 16 april 2010 |