background
affiche nederlands indie
Van het eerste zeilschip

het eerste zeilschip

Tot en met het laatste vrachtschip

het laatste vrachtschip
facebook forum
Aflossing van de wacht in Indië

Dit verhaal gaat over twee mannen, Co Gode en Douwe van der Wal, één schip, het ms Sibajak, Nederlandsch Indië, familiegeschiedenis, de ’toevalligheden in het leven’ en het oude gezegde ’zonder geluk vaart niemand wel’. Het laatste is van toepassing op een gedane ontdekking bij het lezen van het boek "Van Helder Buyrt tot Oud Den Helder", geschreven door J.T. Bremer.

Doos met herinneringen


In mijn doos met herinneringen bevinden zich twee promotiebrochures van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd, waarin in prachtige volzinnen de geneugten van het reizen per mailboot naar de Oost worden beschreven. De brochures, kleine boekwerkjes, roepen de sfeer op van de schijnbaar onbezorgde, vooroorlogse jaren en zijn geïllustreerd met prachtige foto’s. Als zesjarige jongen kreeg ik deze boekjes van mijn oom Co Gode, een (half)broer van mijn vader, Pieter Augustinus ‘Peet’ Vermeulen. Uren kon ik kijken naar en wegdromen bij de prachtige foto’s gemaakt in Nederlands Indië en van de machtige oceaanreuzen met de magische namen Baloeran, Dempo, Indrapoera en Sibajak. Dat wilde ik ook wel, varen en naar Indië!

Waarschijnlijk is mede door deze beelden de basis gelegd voor mijn latere zeemansloopbaan, in de jaren 1959 – 1969. Hoe oom Co in het bezit was gekomen van de brochures wist ik toen nog niet. Pas veel later, bij het vastleggen van de familiegeschiedenis, ben ik daar achtergekomen.

Een korte familiegeschiedenis
Jacobus Pieter ‘Co’ Gode werd op 24 februari 1895 in Den Helder geboren. Hij was één van de vijf kinderen uit het huwelijk van marinekok Pieter Hendrik Gerardus Bernardus Gode en Johanna Adriana van ’t Hert. Dit huwelijk werd op 25 augustus 1887, gesloten. De andere kinderen waren Pieter, Maarten, Willem en Dirkje (Dith). Vader Pieter Gode, geboren in het jaar 1859 te ’s-Gravenhage, van beroep machinedrijver, was op 7 maart 1876 te Rotterdam aangenomen in dienst bij de Koninklijke Nederlandsche Zeemagt voor de tijd van acht jaar. Deze acht jaren werden op gezette tijden verlengd. Uiteindelijk zou Pieter Gode, op 26 februari 1904 de Marine in Willemsoord, Den Helder, na een dienstverband van bijna 28 jaar verlaten. In deze periode deed hij dienst op een groot aantal schepen en werden meerdere Indische termen volgepakte. Als jong marineman was hij betrokken bij de tuchtiging van de negorijen Kaliobar en Kalaan aan de Timorzee in 1883. Ook diende hij op het eskader voor de kust van Noord Sumatra, ten tijde van de Atjeh-oorlog. De dienst bracht hem naast de tropische ziektes beri-beri en malaria, het eereteken van krijgsverrichtingen 1873-1890, de gesp voor belangrijke krijgsbedrijven Atjeh 1896-1900, en de kleine gouden medaille voor 25 jaar trouwe dienst. Deze werd uitgereikt op dinsdag 26 augustus 1902. Dit ondanks de vele kleine vergrijpen en de daarbij behorende straffen. In zijn conduite-boekje staat ook dat hij eens 3 maal 24 uur krom in de boeien werd gezet en om de andere dag water en brood kreeg!

Op 10 juni 1906, tweeëneenhalf jaar na zijn pensionering van de Marine overleed Pieter Gode, in de leeftijd van slechts 47 jaren, op het adres Draaisteeg 8. Zijn vrouw Johanna bleef achter met haar vijf kinderen, en hertrouwde op 15 september 1910 met Johannes Augustinus Vermeulen. Johannes was op 22 december 1882 in Den Helder geboren. Zijn beroep was kolenwerker (tremmer), later stoker, bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN). Met deze rederij maakte hij met het passagiersschip ss Koning Willem III meerdere reizen naar Indië. Op 2 maart 1911 werd uit dit huwelijk nog een zoon geboren, Pieter Augustinus. Pieter trouwde in 1933 met Johanna Cornelia Arina Visser, de tweede dochter van Oppertorpedomaker Willem Arie Visser. Uit dit huwelijk werd op 11 januari 1942 een zoon geboren, Eddy, de schrijver van dit verhaal.

Oom Co
Co Gode had in de jaren 1914 – 1935 als machinist, bij de KPM, Koninklijke Paketvaart-Maatschappij, gevaren. In zijn lange loopbaan op zee doorliep hij, na zowel in Den Haag als in Batavia de diploma’s A, B en C gehaald te hebben, alle rangen van assistent-machinist tot hoofdmachinist. Dit was mij, uit de vele verhalen, van zowel hemzelf als ook mijn moeder, bekend. Wat ik echter niet wist was hoe de aanzet tot deze loopbaan was geweest. In het boek “Van Helder Buyrt tot Oud Den Helder” vond ik tot mijn grote verrassing de verklaring. In het hoofdstuk “De jaren twintig en dertig” wordt door de heer Bremer beschreven dat voor een jongen uit de Ouwe Helder een dergelijke carrière niet vanzelfsprekend was. Wel kon het gebeuren dat je, als je goede cijfers haalde op de ambachtsschool en een jaar leertijd had doorlopen bij een machinefabriek, van de KPM een gratis opleiding tot assistent-machinist aangeboden kreeg. Dit was oom Co, in 1913, als 18 jarige jongeman overkomen. De Acte van Verbintenis, waarin een en ander uitvoerig was vastgelegd, werd door hem zelf en zijn moeder, de Weduwe J.A. Gode, ondertekend op 9 juni 1913. Dit voor mijn verhaal waardevolle document werd door mij een aantal jaren geleden in het historische archief van de KPM teruggevonden! Op 20 juni 1914 vertrok Co Gode, kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, met het ms Oranje naar Indië. Onder de passagiers bevond zich ondermeer de in die dagen zeer bekende Professor Hector Treub, hoogleraar verloskunde en gynaecologie te Leiden. Hector was een broer van Melchior Treub, in 1880 benoemde directeur van ’s lands' plantentuin te Buitenzorg, Java, nu Bogor. In de daarop volgende jaren deed Co dienst op een groot aantal schepen van de maatschappij.
 
Co Gode als hoofdmachinist
 
Een niet gering aantal van deze schepen is later, tijdens de oorlogsjaren 1942-1945, verloren gegaan. Hiertoe behoorden ondermeer de Le Maire, van Lansberge, De Klerk, van Heemskerk, Mijer, de Weert en de Bintoehan. Zijn favoriete schip was het ss Tasman. Dit schip zou eind 1942 tot hospitaalschip worden ingericht Na afloop van in Nederland genoten studieverlof werden door Co, op Nederlandse werven gebouwde, KPM-schepen uitgebracht naar Indië. In 1931 trouwde hij, tijdens een Europese verlofperiode, met Elisabeth Fijtje Kort. Uit dit huwelijk, in 1936 door scheiding ontbonden, werd in 1932 een dochter geboren, Johanna Adriana Gode, ‘Joke’. Zij is vernoemd naar haar en later, ook mijn, grootmoeder, Johanna Adriana Vermeulen-’t Hert. Door een merkwaardige speling van het lot bracht Joke, als jong meisje, samen met haar moeder de oorlogsjaren in Indië door, met de Japanse kampjaren in Tjideng, Batavia als tragisch dieptepunt. Kort na de oorlog, ik was een jaar of vijf, repatrieerde Joke samen met haar moeder naar Nederland. Wij hebben elkaar ontmoet in het huis van onze gezamenlijke oom en tante, Jan en Dith Brinksma-Gode. De familie Brinksma woonde toen aan de Parallelweg. Nu, ruim 60 jaren later, hebben wij nog steeds een bijzondere band, gebaseerd op een diepe genegenheid voor elkaar en respect voor ieders herinneringen aan het verleden!

Een twintigtal jaren na zijn eerste vertrek naar Indië, voorafgegaan door meerdere keren Europees verlof, kwam Co Gode op 1 mei 1935 met vervroegd pensioen per ms Sibajak, reis 29, onder gezag van kapitein J. van Duyl, voorgoed naar Nederland terug. Op 27 mei werd in de thuishaven Rotterdam afgemeerd.


Vader Douwe
Op de daarop aansluitende reis 30 van het ms Sibajak naar de Oost, scheepte op 12 juni 1935, een detachement suppletietroepen Koloniale Reserve in. Onder de groep, in de Prins Hendrikkazerne in Nijmegen voor dienst in het KNIL, Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, opgeleide jongemannen, in de volksmond ‘Kolonialen’ genoemd, bevond zich de 22 jarige, uit Huizum, nu Leeuwarden, Friesland afkomstige Douwe van der Wal.
 
 
Een korte familiegeschiedenis
Douwe van der Wal was vernoemd naar zijn grootvader van moederszijde, Douwe van der Sluis. Na een jeugd van 12 ambachten en 13 ongelukken in de harde crisisjaren, had Douwe zich op aanraden van de toenmalige huisarts van de familie, dokter Wiemer, zelf een oud-KNIL arts, en met toestemming van zijn ouders, gemeld bij de Prins Hendrikkazerne in Nijmegen. Na opleiding tot soldaat werd hij op 14 februari 1935 "verbonden voor de Overzeese Militaire Dienst, zowel in als buiten Europa voor vijf jaren, ingaande met de dag van geschiktbevinding voor uitzending". Deze geschiktbevinding werd gedateerd 24 mei van hetzelfde jaar, en werd gehonoreerd met een premie van fl 100,--! Een klein kapitaal in die jaren. Op woensdag 12 juni vertrok de Sibajak vanuit Rotterdam , en werd, wederom onder gezag van kapitein J. van Duyl, aan een nieuwe reis naar de Oost begonnen. Via tussenstops in Southampton, Marseille, Port Said en Sabang arriveerde de Sibajak, vier weken later, op donderdag 11 juli, in Tandjong Priok, de haven van Batavia. Na de ontscheping, werd Douwe als fuselier bij het 1e Depot Bataillon te Bandoeng geplaatst en begon zijn militaire tropenleven. Overplaatsingen naar o.a. Semarang, Magelang en Malang volgden. Op 28 september 1938 trouwde hij met de uit Semarang afkomstige Edith Hendrika Soffner. Uit dit huwelijk, dat eind 1946, begin 1947, door een scheiding zou worden ontbonden, werd op 22 juni 1939 in het militaire hospitaal te Magelang een dochter, Martje Edith, geboren.
 
 
Het gezin woonde op diverse plaatsen op Java en Bali, tot in maart 1942 de Japanse inval op Java en de na de capitulatie van het KNIL, volgende periode van krijgsgevangenschap, een einde maakten aan het gezinsleven. Na een aanvankelijke interneringsperiode op Java, werd Douwe, door de Japanners waarschijnlijk eind 1942 per schip op transport gezet naar Siam, het huidige Thailand, en te werk gesteld aan de Birma-Siam spoorlijn.
 
De Birma-spoorweg
 
Deze periode duurde tot 15 augustus 1945, de dag van de capitulatie van Japan, en tevens de dag waarop hij volgens zijn Japanse interneringskaart in Bangkok werd overgedragen aan de geallieerde strijdkrachten. In de maanden volgende op de capitulatie werden in Thailand drie bataljons geformeerd, bestaande uit vrijwillig aangemelde en goedgekeurde ex-krijgsgevangenen van het oude KNIL. Als mouwonderscheiding droegen zij een aanvallende rode olifant.
 
 
Douwe van der Wal volgde met de Bali-Lombok brigade de roep van de Gadja Merah, de Rode Olifant. Midden februari 1946 vertrok de brigade over zee, via Singapore en Soerabaja richting Bali. De landingsvloot stond onder commando van Kapitein ter Zee Willem Hendrik Tetenburg, de latere Schout bij Nacht, en de landingstroepen werden geleid door Luitenant Kolonel KNIL Frederik Hendrik ter Meulen. Beiden waren woonachtig in Baarn! De eerste stap op de lange weg naar Orde en Vrede. Volgden nog de twee Politionele Acties, midden 1947 en eind 1948 waarin resp. met de Y-Brigade op Sumatra en met de Barisan Tjakra Madoera in Oost Java werd dienstgedaan. Tussendoor werd, midden 1948, een welverdiend recuperatieverlof genoten in Nederland. De herinnering aan deze roerige tijd is symbolisch vastgelegd in het uitgereikte Ereteken Orde en Vrede, met vier jaargespen 1946, 1947, 1948 en 1949. Op 20 juli 1950 ondertekende Koningin Juliana te Soestdijk het besluit “houdende kennisgeving van de opheffing van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger”. Douwe ging over naar de Koninklijke Landmacht, werd ingedeeld bij het regiment Stoottroepen en diende aansluitend nog drie jaren bij de Nederlandse Militaire Missie. Op 30 juni 1953 keerde hij, wederom met het ms Sibajak, inmiddels hertrouwd, voorgoed naar Nederland terug , waar op 25 juli te Rotterdam werd ontscheept.
 
De toevalligheden in het leven
Toen ik in 1948 als zesjarige schooljongen de foto´s van de Sibajak bekeek, kon ik nog niet weten welke, belangrijke rol beide mannen, zonder elkaar ooit gekend te hebben, in mijn leven zouden spelen. Oom Co had een, naar later bleek, uitzichtloze verhouding met mijn moeder en was door zijn spannende verhalen over zijn zeemansloopbaan mijn grote voorbeeld om ook te gaan varen, terwijl Douwe, als vader van de in 1939 in Magelang geboren Martje Edith, waarmee ik in 1964 in het huwelijk trad, mijn schoonvader werd. In het leven van beiden speelde het voormalig Nederlands Indië, zij het in verschillende tijdperken, een grote rol. 1935, twee mannen, de één, Co Gode, kwam: reis 29, de ander, Douwe van der Wal ging: reis 30, één schip: de Sibajak.
 

De aflossing van de wacht in Nederlandsch Indië had plaats gevonden.

 

 

Ed Vermeulen

Oud-Stuurman Nievelt-Goudriaan te Baarn - 2007