background
affiche nederlands indie
Van het eerste zeilschip

het eerste zeilschip

Tot en met het laatste vrachtschip

het laatste vrachtschip
facebook forum
Nederlandse tanker redden 27 mensen in de Arabische Golf

                    

 

        

ss Doelwijk                                                             ss Vlieland

In de nacht van 31 juli 1967 schrok ik van het feit dat ons schip, het ss Doelwijk, werd stilgelegd. Toen ik de volgende morgen aan dek kwam, was het alsof ik in een speelfilm terecht was gekomen. Er vloog een vliegtuig van de Royal Air Force laag in de buurt van het schip en gooide af en toe een rookbom, om de plek te markeren waar drenkelingen zouden drijven. Door een redelijk ruwe zee waren zij namelijk moeilijk te ontdekken. Er was een sloep uitgezet en onze Chinese matrozen pikten vijf schipbreukelingen uit zee op en sleepten ze daarna de touwladder op. Door het zoute water en zonverbranding waren sommigen meer dood dan levend. De drenkelingen hadden al meer dan zestien uur in het water gelegen. De schipbreukelingen waren afkomstig van de “Ganjo Salamat”, een zogenaamde "Dhow" afkomstig uit Bombay en onderweg van Basrah naar Dubai. Het schip was vol geladen met cement en had 37 passagiers en bemanningsleden aan boord.


De tanker “Vlieland” (óók van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd) ontdekte als eerste zeven schipbreukelingen op een vlot. Direct werd de hulp ingeroepen van de tankers: “Doelwijk” en de “British Courage”. Toen de dhow zinkende was heeft men eerst nog getracht de lading cement overboord te zetten (een en ander had ik vernomen uit gesprekken met de vijf die wij hadden opgepikt), maar al snel zag men dat dit onbegonnen werk was en toen was het ieder voor zich. In totaal werden er door de drie schepen 27 schipbreukelingen gered, helaas werden er ook drie doden geborgen, zeven mensen werden er, die dag, nog vermist.

Eenmaal aan boord van ons schip de “Doelwijk” werden de zwemvesten van de lichamen van de geredden gesneden (losknopen ging niet meer). Die zwemvesten waren, zelfs voor die tijd al, een lachertje, ze waren van kapok en loodzwaar, volkomen doordrenkt met water. Eén ervan heb ik, om als souvenir te bewaren, aan de wasbaas gegeven om te drogen, die droger heeft daarna 2 dagen staan draaien.
 
 
Hierna was het mijn taak als Hofmeester om de mensen te verzorgen, ze kregen een hut, eten, drinken, sigaretten en zo goed en kwaad als het ging, droge kleding. Hun wonden werden verzorgd door de 1e stuurman. Ik heb de dagen erna veel met hen gesproken, ze waren natuurlijk volkomen ontdaan, ziek (bij enkelen was op bepaalde plekken de gehele huid ontveld) en berooid, hadden niets meer en ook weinig om naar toe te leven, reden waarschijnlijk dat ze zich later direct bij de PLO hebben aangesloten.
 
Khor-Al-Amaya - Irak
 
Bij het kunstmatig eiland van Khor-Al-Amaya aangekomen had onze Gezagvoerder, Leen Welter nog de grootste moeite de schipbreukelingen aan de plaatselijke autoriteiten te overhandigen, ze wilden ze eenvoudigweg niet hebben! Toen er toch een akkoord bereikt was, ben ik midden in de nacht in een klein bootje, met de vijf schipbreukelingen, van het eiland naar de vaste wal gegaan. Ik was erbij vanwege het feit dat mijn zoon geboren zou gaan worden en daarom werd ik, als enige opvarende van de Doelwijk, afgelost, dat was de policy van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd.

Toen we aan wal kwamen wees de Scheepsagent de vijf mensen een bank aan waarop ze de verdere nacht maar verder moesten slapen. Bedroevend, deze groep mensen die een schipbreuk meegemaakt had en bij ons als helden waren binnengehaald, werd eerst de toegang tot het land geweigerd en moest vervolgens maar de nacht in de buitenlucht op een bankje doorbrengen. Daar heb ik toen afscheid genomen van onze schipbreukelingen, mij werd wél een slaapplaats, thuis bij de scheepsagent, aangeboden!
 
Bert Weber - 1967
 
De dag daarop werd ik met een auto, dwars door de woestijn, naar een hotel in Basrah gebracht. Daar aangekomen werden de gevolgen van de Zes-daagse oorlog merkbaar, er waren geen regelrechte vluchten, om precies te zijn waren er helemaal geen vluchten richting Nederland. Bovendien heerste er een erg vijandelijke sfeer, de hotelgasten zagen in elke niet-Irakees een Amerikaan en die waren daar toen al niet zo geliefd. Een Noorse Machinist en ik waren de enige West-Europeanen in het hotel. Wij waagden het niet om ook maar één stap buiten het hotel te zetten en hebben dan ook de meeste tijd in het hotelzwembad doorgebracht.
 

Na zo’n vier dagen (de tijd begon te dringen, of ik zou niet meer op tijd voor de geboorte thuis zijn) had de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd toch nog een alternatieve vlucht geregeld en ben ik uiteindelijk via Bagdad (waar ik nogmaals overnachtte) en Frankfurt, in Amsterdam gearriveerd op: 7 augustus om 20.00 uur. Zeven uur later; 8 augustus om 3.00 uur werd mijn zoon geboren. Eenmaal thuis, hoorde ik na bijna twee weken een verslag op de radio over de schipbreuk, alsof het actueel nieuws was, evenals de berichten in de kranten.

Weer later ontving ik de ontroerende (onderstaande)bedankbrief van de drie geredden schipbreukelingen, die zich inmiddels bij de PLO hadden aangesloten ..............

 

 

Bert Weber, oud KRL-Hofmeester