background
affiche nederlands indie
Van het eerste zeilschip

het eerste zeilschip

Tot en met het laatste vrachtschip

het laatste vrachtschip
facebook forum
Man over boord

 

Het volgende verhaal speelt zich af in 1958 op het dubbel-schroefmotorschip “BLITAR” na vertrek uit Belawan (Noord Sumatra). We voeren onder loodsaanwijzing door de smalle gebaggerde vaargeul naar open zee. Ongeveer 17.45 uur kreeg een Leerling-matroos de opdracht de loodsladder buiten boord te hangen. Dit ging niet goed omdat de ladder in de knoop raakte en niet helemaal wilde afrollen. De Leerling-matroos wilde de toekijkende passagiers wel even laten zien hoe Matrozen zoiets opknappen. Hij klom over de verschansing en probeerde met wat trapezewerk de boel te klaren. Dat was toch wat te hoog gegrepen en de show eindigde met een val in het water. De brug was snel gealarmeerd en de Gezagvoerder gaf opdracht een sloep te water te laten en de nog niet geborgde gangway weer uit te vieren. Van het schip stoppen of een andere manoeuvre uit voeren kon in de smalle vaargeul geen sprake zijn; het schip zou makkelijk kunnen verlijeren. Van de drenkeling was al gauw niets meer te zien. Er stond een knobbelig zeetje en alleen als hij op een golftop lag, was zijn blonde kuif hooguit één seconde zichtbaar. Direct na zijn val in het water was alles wat voor handen was en kon drijven achter hem aangegooid waaronder natuurlijk reddingsboeien, maar ook een teakhouten bank. Inmiddels was ook een sloep te water gelaten en deze werd nog op sleeptouw gehouden tot er voldoende bemanning voor was.

De sloep was uitgerust met een zgn. Fleming-patent dat wil zeggen een schroefje dat werd aangedreven d.m.v. een aantal hefbomen. Het was nodig ruim voldoende mensen aan boord te hebben anders kwam het schroefje niet onder water. Van de Dekdienst konden maar enkele mensen gemist worden daar het einde van "voor-en-achter” nog niet was gegeven. De Gezagvoerder riep van de brugvleugel dat iedereen die maar even gemist kon worden aan boord van de sloep moest. Zo kwam er een bemanning tot stand die grotendeels bestond uit de Civiele dienst bestaande uit: Kombuispersoneel, Djongossen, Wasbazen etc. Zelfs enkele passagiers gingen aan boord van de sloep. Uiteraard had een Stuurman het commando. Ik werd meegestuurd om zo nodig eerste hulp te verlenen. Op zeker moment lag het schroefje voldoende diep in het water en kon worden losgegooid. Er moest nu gevaren worden maar waarheen? Belawan ligt dicht bij de evenaar waar geen avondschemering is en de dag vrijwel direct overgaat in de nacht. Ook nog eens geen ster te zien dus aardedonker! Het enige oriëntatiepunt was het snel kleiner wordende heklicht van de Blitar. Er werd vol overgave aan de hefbomen getrokken maar in welke richting voeren we eigenlijk en zat er überhaupt wel vaart in het bootje? In het water gegooide papiersnippers moesten dat duidelijk maken maar bleven in de diepe duisternis onzichtbaar. De vraag van de Stuurman of iemand iets bij zich had om licht te maken leverde enkele Imco-aanstekers op maar de lichtopbrengst was vrijwel nihil.
Wat nu? Om de paar minuten werd zo hard mogelijk de naam van de jongen geroepen waarna we ons even doodstil hielden om te luisteren of er werd teruggeroepen. Na verloop van tijd meende iemand stemmen te horen. Die bleken afkomstig van een onverlicht thuisvarend vissersbootje dat, gebruikmakend van de aanlandige wind richting haven koerste. Om brandstof te sparen gebruikten zij geen motor. Nu werden de Djongossen zeer bruikbaar; zij konden in hun taal onze situatie uitleggen en hun hulp vragen bij het zoeken. Ik verstond er niets van maar omdat ik een paar keer een sigarettenmerk hoorde noemen, begreep ik dat er onderhandeld werd. Dit liep op niets uit: de gevangen vis kon op het bootje niet gekoeld worden en moest dus zo snel mogelijk aan land gebracht worden om, vóór de zon weer opkwam, op de pasari te liggen. Intussen dacht ik na over wat mij te wachten zou kunnen staan. Mijn EHBO-koffertje bevatte niet veel meer dan het gebruikelijke flesje jodium en wat zwachtels. In haast had ik uit de apotheek nog wat morfinetabletten meegenomen. Wat te doen als de drenkeling bijvoorbeeld een tik van een schroefblad had opgelopen wat vooral bij een dubbelschroefschip gauw kon gebeuren. Verder was ook een aanval door een haai niet denkbeeldig. Een week eerder hadden we op de rede twee dagen liggen wachten op het vrijkomen van een ligplaats aan de kade. Telkens als er kombuisafval over de muur ging, kwamen ze er op af; maatje 3 á 4 meter. Daar kon je dus maar beter uit de buurt blijven. Na zo’n uurtje in diepe duisternis te hebben gedobberd, werden we plotseling door een zoeklicht beschenen waardoor we even verblind waren.
De loodsboot was naar ons op weg om ons op sleeptouw te nemen. We konden eindelijk om ons heen kijken en zien wie er al die tijd tegen je rug en heupen had zitten bonken. Twee opvarenden hadden nog kans gezien zeeziek te worden. Eenmaal weer aan boord van de Blitar hoorden we het verhaal van de drenkeling, hij was uit angst voor de haaien op de teakhouten bank gaan liggen en peddelend met zijn handen in de buurt van een verankerde boei terechtgekomen en er op geklommen. Vissers hadden hem opgepikt en naar de Blitar gebracht. Ze werden beloond met sloffen sigaretten en broden. Degenen die in de sloep hadden gezeten, gingen mandiën en schone uniformen aantrekken want in de sloep waren we behoorlijk vuil geworden. De loods ging van boord en de reis naar de volgende haven kon nu eindelijk, met een paar uur vertraging worden hervat.
 
 
Hugo den Boogert, oud KRL-Verpleger/schrijver