background
affiche nederlands indie
Van het eerste zeilschip

het eerste zeilschip

Tot en met het laatste vrachtschip

het laatste vrachtschip
facebook forum
Diverse Willem Ruys verhalen

 

'Logiesjongen' op de Willem Ruys

Het was 1954 en ik maakte als 15-jarige mijn tweede reis als één van de vijf “logiesjongens” op onze prachtige Grand Old Lady, de Willem Ruys. Twee logiesjongens zorgden tijdens de reis voor de olielieden (28 personen), twee logiesjongens voor de matrozen en kwartiermeesters (35 personen) en een logiesjongen had de titel “bootsmansjongen”. Als je die titel had, werd je de volgende reis “lichtmatroos” of ging je de machinekamer in, maar dat was afhankelijk van een gesprek met de bootsman. Aan “de boots” gaf je aan welke richting je op wilde.

In die tijd hadden de meeste olielui en matrozen de Tweede Wereldoorlog op zee meegemaakt, dus zij wisten wel van wanten, zeker ook wat hun “uitdrukkingen” betreft. Je leerde als logiesjongen al gauw van alles bij. Vooral voor een 15 jarige jongen was het aardig buffelen geblazen, de soepketels waren ongeveer even groot als jezelf en als je niet vlug genoeg was, werd het eten vanaf de kombuis naar het voorschip al koud voordat het was opgediend .............. dan kreeg je er, in stevige bewoordingen, aardig van langs .......... maar ja, daar word je groot van, nietwaar?!

Tussen 14.00 en 16.00 uur had je vrij, anders zouden de werkdagen te lang worden. Op een middag werd er in die vrije uurtjes besloten om met de andere logiesjongens een onderzoekstocht te ondernemen naar die gedeeltes van het schip waar de gewone bemanning niet mocht komen. Zo kwamen we uit bij de eerste klas eetsalon. Omdat de diverse bedienden altijd hun handen vol hadden, gingen de eetsalondeuren met een harde klik automatisch open (electrisch oog). Wij hadden uitgevonden dat je onder de electrische straalbundel doorkruipend de deuren met de hand kon opendrukken en dit maakte dan geen herrie! Wij dus naar binnen en zagen, geheel onder de indruk, op de gedekte tafels prachtig opgemaakte taarten staan welke bestemd waren voor het diner. Het was muisstil in de eetsalon ............ er was niemand aanwezig dus besloten wij ter plekke dat er best wel twee van die heerlijke taarten naar het voorschip (ons verblijf aan boord) mochten.
 
Net toen we met onze kersverse buit de salon wilden verlaten, kwam de hofmeester binnen en waren we de pineut ............. we zouden er zeker nog meer van horen! Terug in ons eigen territorium kwam al gauw bootsman J.H. Kuling aanlopen en die vroeg ons, toch wel wat geamuseerd, wat we hadden uitgespookt. Nadat we alles eerlijk hadden opgebiecht, vertelde de bootsman ons dat we de volgende ochtend om 11.00 uur bij kapitein C.C. Goedewagen in de kaartenkamer moesten aantreden. De bootsman zelf moest, evenals voorman P.C. Janssen, in “pakkie Tutup” ook mee. Wij werden zo ter verantwoording geroepen bij kaptitein Goedewagen.
 
Kapitein C.C. Goedewagen
 
We waren uiteraard keurig op tijd en netjes in schoon matrozenpak ...... daar stonden we dan in het gelid en wachtten nerveus op de dingen die zouden gaan gebeuren. Kapitein Goedewagen en 1e stuurman S. Tuinhout kwamen achter een gordijn vandaan en het werd zowaar een heel betoog. Nu was het zo dat ik voor mijn leeftijd vrij fors was, dus stak ik wat lengte betreft wat boven de andere jongens uit. Ik werd daardoor kennelijk automatisch het aanspreekpunt van de kapitein. Doordat hij mij constant aankeek werd ik nog nerveuzer en begon uit pure zenuwen te glimlachen ............ tja, toen had ik het dus helemaal gedaan. De kapitein verzekerde mij dat ik de grootste boef was (qua lengte klopte dat wel!). Als ik mijn gedrag niet direct ging verbeteren, zou ik bij Hoek van Holland van boord worden gehaald en tot mijn 21e jaar naar een opvoedingsgesticht moeten. Toen we op het voorschip terugkwamen, vertelde de bootsman mij dat ik de volgende reis bootsmansjongen zou worden,dat maakte weer heel wat goed. Toen we in Hoek van Holland aankwamen, heb ik toch nog argwanend gekeken of er geen bootje van een opvoedingsgesticht kwam aanvaren, maar gelukkig niks van dat alles!

Zo, dat was mijn verhaal en dat voor toentertijd 65 gulden bruto per maand! Wanneer ik in het fotoalbum van de museumwebsite foto’s van kapitein Goedewagen zie, moet ik vaak aan dit verhaal terugdenken, vooral nu ik mijn kleinzoon van 15 jaar oud zie.
 

Avonturen met de reddingsloepen van de Willem Ruys

Het is januari 1955 en ondergetekende logiesjongen is inmiddels opgeklommen tot de rang van “Lichtmatroos” op de Willem Ruys en 16 jaar oud. Bij vertrek uit Rotterdam was ik door de bootsman het maatje gemaakt van kwartiermeester Jan van het Lam. In dagdienst hadden wij bepaalde vaste werkzaamheden: ‘s morgens dekwassen en elke dag een dekdeel boenen met caustic soda. Dat was dan meestal om 07.30 uur klaar en daarna was het uiteraard ontbijten geblazen. De kwartiermeester en ik kwamen beiden uit Vlaardingen dus we hadden wel stof om te praten. Het grappige was dat al de oudere matrozen een bezem hadden met een lange steel zodat zij rechtop liepen tijdens het boenen en ik had een bezemsteel zo kort dat ik zowat op mijn knieën moest gaan zitten om te kunnen boenen. Toen ben ik ook maar rechtop gaan lopen met de bezem een halve meter boven dek .......... niemand had het door .......... zoveel matrozen liepen er.

Na het eten gingen Jan en ik de sloepen schoonmaken. De reddingsloepen hingen half onder het 1e klas promenadedek. Dat betekende dat passagiers die aan de reling stonden en dachten iets overboord te gooien, het niet in zee maar in de sloepen wierpen. Regelmatig moesten we alle reddingsloepen met een emmer door kruipen om het vuil er uit te halen. Vanuit de sloepen konden we in de luxe hutten kijken en telkens gaf ik Jan aan dat hij mij moest waarschuwen als hij iets “vreemds” zag. Op gegeven moment zag ik wel heel vreemde dingen, zoals uitbundige sexpartijen gepaard gaande met gymnastiekoefeningen. Dat gaf ik dan op mijn beurt weer aan Jan door die vervolgens ook naar de gymnastiekles keek en direct daarna zei dat we feitelijk niet “mochten” kijken. In de sloepen vonden we van alles: lege pakjes sigaretten, rubberwerk om te gymnastieken, etc. etc. Het enige enge was het gapende gat van een dikke meter als je van de ene sloep naar de andere overstapte. Je zag de zee peildiep onder je, maar ja, na een tijdje went dat wel.
 
 
Op een zekere dag vond ik een mooie gouden armband, die ik vervolgens aan de hofmeester heb afgegeven (dezelfde hofmeester die ons met die gepikte taarten betrapte!). Na een paar dagen had een Amerikaans passagieres van ca 18 jaar aangifte gedaan van het verlies van de armband. Haar vader stond er op dat zij mij persoonlijk bedankte, hetgeen op het 1e klas promenadedek, met een dikke kus, gebeurde. Alle aanwezige passagiers stonden te klappen ......... ik trots!!
 

De tweede-schoorsteen van de Willem Ruys

Wist u dat de tweede schoorsteen van de Willem Ruys maar gedeeltelijk als schoorsteen dienst deed? Deze “halve nepper” was van binnen zeegroen geschilderd en kon dienst doen als mortuarium. Dat heb ik overigens tijdens mijn vaartijd niet meegemaakt. Op de terugreis van Indonesië naar Nederland vlogen er regelmatig zo’n 4000 vogeltjes in rond. Dit was dus levende lading die Jan en ik elke dag moesten voeren. Als er dode vogeltjes waren, moesten we, als bewijs voor de verzekering, de rechterpootjes afsnijden. Bij de timmerman in zijn werkplaats stonden wel zo,‘n 50 aquaria waarin tropische vissen ook als lading werd vervoerd. Op hetzelfde schoorsteendek stonden ook een stuk of 15 hondenkennels voor honden van passagiers. Ook voor deze “betalende” honden moesten wij zorgen.

Als het slecht weer was, hadden we weer een andere, niet te versmaden, job. Tijdens de stevig doorzettende moessonwinden waren meestal veel passagiers zeeziek. Jan en ik gingen dan ieder met een emmer zand door de passagiersgangen en overal waar we kots zagen liggen, moest daar een hand zand over. Je moest natuurlijk goed uitkijken want voordat je het wist lag je op je snufferd.
 
 
In maart 1955 verdaagden we op de terugreis in de Golf van Biscaye in flink stormweer. De Willem Ruys ging zo te keer dat de twee uitbouwvleugels op het achterschip soms door het zeewater sleepten. In Rotterdam kwamen vervolgens vier grote verhuiswagens het kapotte meubilair van boord halen. Het kombuis bleek toen ook niet de veiligste plek aan boord ........ er waren zelfs een paar koks met gebroken ledematen!
 
Arie Smit, oud KRL-Matroos
Zevenbergen: 16 april 2010