Vooruit gestuurd!

Sneeuw droegen ze, zachte witte, kille vlokken; hagel droegen ze, venijnige, prikkelende korreltjes en telkens werd hun last hun te zwaar. Dap vlogen den menschen de sneeuwvlokken om de ooren of tikten de hagelkorrels hen op de paraplu’s, op de hoeden; soms sprongen ze de menigte op de kade nijdig in het gelaat, alsof het lange wachten alleen nog niet onaangenaam genoeg was.

In dit hondenweer stonden de menschen te wachten op de Sindoro, het stoomschip van de Rotterdamsche Lloyd, dat ieder oogenblik in ’t gezicht kon komen. Het was den Hoek van Holland al lang gepasseerd, zoo luidden de berichten, die men telkens inwon bij den portier van het Lloydgebouw. En daar ging er een zachte kreet van verluchting op uit de menigte, toen zich ver weg op de Maas, achter een gordijn van sneeuw en hagel een groot schip vertoonde, grijs en wit als de hagelwolken zelve – dat was de Sindoro, het lang verbeide schip.

Het scheepsvolk had zich al aan stuurboord verzameld om bij de hand te zijn met het uitwerpen der touwen. De weinige passagiers, die nog over waren gebleven, stonden gereed en gekleed op het promenadedek en tuurden naar den wal, waar ze zoo dadelijk zouden aanleggen, probeerden of ze al iemand onderscheiden konden tusschen de wemeling van menschen op de kade. En onrustig liepen ze op en neer op het promenadedek, alsof deze laatste oogenblikken van een reis van zooveel dagen hun te lang waren.

Een meisje van zestien jaren ongeveer, stond aan stuurboordzijde geleund tegen de deur van een kajuit. Ze was lang en mager, met heel donkere oogen, koolzwart haar en een donkere gelaatskleur.

‘Een echte roetmop,’ had een matroos weleens tegen zijn kameraad beweerd. Nu keek hij eens, hoe de roetmop dit liefelijk weertje van haar vaders land beviel en hij zag wel, dat ze het niets naar den zin had.

Haar lippen waren leiblauw en een rilling liep haar telkens door de leden, als de wind op haar aanviel en haar de natte sneeuw op ’t gelaat plakte. Ze trachtte zich dieper in de zware cape te wikkelen, die ze over haar mantelcostuum heen, om de schouders had geworpen, doch dat kon haar niet verder lukken, daar ze er zichzelf al in had gerold, tot hij strak spande om haar lange, tengere gestalte.

‘Nonnie moet ook naar binnen komen,’ sprak een zachte stem in ’t maleisch. Het was haar baboe, die ze meebracht uit het verre land, nu ze, naar den wil van haar vader, het heerlijke huis daarginds had moeten verlaten om hier haar opvoeding te voltooien. De oude vrouw beefde ook van de koude, hoe zwaar en dik de duffelsche mantel was, die haar zoo potsierlijk kleedde. Het meisje wendde zich om en antwoordde in rap maleisch: ‘Ik ben veel te verlangend om tante Truus en oom Hans te zien, – ik wou probeeren, of ik ze zoo uit de menigte kon herkennen. Kijk eens, baboe, hoeveel menschen daar aan de kade staan! Sommigen beginnen al te wuiven. Kom, ik ga ook maar meedoen.’ En ze haalde uit den binnenzak van haar cape een onmogelijk groote zakdoek, die wel bewees, hoe ze op verkoudheid had gerekend in haar vaders lieve landje. ‘Brr! wat een weer!’ ging ze voort, terwijl ze grappig onverschillig met den zakdoek wuifde. ‘Voor mijn part maakte ik dadelijk rechtsomkeer – voor ons part, hè Amina?’

Ze trachtte te schertsen, maar opeens liepen haar groote, zwarte oogen vol tranen. Ongeduldig keerde ze zich van de oude vrouw af en ging trappelend van koude, trappelend van ongeduld, het promenadedek op en neer. Ze snikte met korte heftige snikken, hoe ze ook trachtte zich goed te houden. Heete tranen liepen haar over de wangen en vermengden zich met de natte sneeuwvlokken, die haar telkens weer in het gelaat vlogen.

O, dat ze toch niet twee jaren had mogen wachten en gelijk met haar vader en zusje hierheen had kunnen komen! Het was immers zoo erg niet geweest om aan te komen in dit ellendige, donkere, koude land met vader naast je aan de eene zijde en zus aan de andere! Doch papa had gezegd, dat ze eigenlijk al veel te lang in Indië was gebleven. Ze werd veel te veel een echte nonna, vond hij, en dat wilde hij niet. Als haar moeder was blijven leven, had hij haar al eerder, al vier jaar eerder gestuurd, maar nu had hij niet van haar kunnen scheiden, totdat hij inzag, dat het de hoogste tijd was om haar weg te zenden, wilde ze niet voor goed een echte nonna blijven. Neen, twee jaar wachten tot hij mee kon, mocht ze niet. En zoo werd ze vooruit gestuurd. Over een kleine twee jaar zou hij met zus volgen, en dan zouden ze voor goed, voor goed bij elkaar blijven. In dien tusschentijd moest ze maar flink werken, had hij gezegd; dan vloog de tijd des te sneller om ……………….. al nader kwam de oever.

Ze droogde haar tranen en keek uit. Waarlijk, ze kon nu al wat gezichten onderscheiden in de wachtende menigte. O, lieve goedheid, die lange jongen en dat kleine meisje zouden nog voorover in het water tuimelen, als ze niet opletten. Wie of tante Truus en oom Hans nu zouden zijn? Die twee daarginder, die deftige dame en die breede heer? Ach neen, die waren veel te oud. Tante Truus en oom Hans waren twintig en een-en-twintig jaar, dat is wel heel groot en oud, maar zoo groot en oud toch nog niet! Tante Truus en oom Hans waren toch eigenlijk de eenige lichtpunten in al het duister, dat ze in moest. Hoe grappig, zoo twee studenten – en dan zoo gewichtig, dat tante Truus met oom Hannes geëngageerd was! Zouden ze zich wel met haar willen bemoeien? Ze zouden haar natuurlijk ver beneden zich achten. Ze zouden erg, verschrikkelijk knap zijn en naar niemand kijken dan naar elkaar. Hoe had tante Truus er toch lust in, om te studeeren? Papa had het haar ook voorgesteld – maar o, ze zou blij zijn als deze twee jaren van hard werken om waren – studeeren, nooit! Daar was ze veel te dom voor, al veel te veel een nonna, zooals oom Frans, die pas uit Holland naar Indië was gekomen, beweerd had.

Wat maakten die groote jongen en dat meisje zich toch druk! Ze zouden heusch nog in het water vallen! Tegen wie wuifden ze toch zoo? Wat een grappige, vroolijke gezichten, en hoe aardig zagen ze er uit in hun lange gutta-percha-regenjassen, zoo echt berekend op Hollandsch-hondenweer. Ze zag om zich heen, wien de groeten golden van het tweetal, dat heelemaal naar voren was gekomen en zelfs stond op de dwarsbalk, die den kaaimuur afzette. Maar niemand zag ze op het promenadedek. En toen, zich een weinig vooroverbuigend, nu wat scherper kijkend, zag ze, dat die vele aanhoudende groeten haar golden – en tot haar grooten, blijden schrik herkende ze in dien langen jongen en in het meisje de portretgezichten van oom Hans en tante Truus! Dat waren dus oom Hans en tante Truus! Ze greep weer naar haar zakdoek en wuifde, wuifde, wat ze kon. Had ze niet allang gedacht, dat oom Hans en tante Truus de lichtpunten waren in de duisternis, die ze tegemoet ging?

Waarlijk, de jongen en het meisje, die ginder stonden, zagen er wel naar uit, dat ze iemands lichtpunten konden zijn! Hoe blonk de hartelijke vreugde op hun beider blozend gelaat! Hoe lachten ze, de heldere oogen stralend van plezier! En – zoo heel oud waren ze niet, vond Frida, nog jong genoeg om niet al te veel op haar neer te zien! Oom Hans en tante Truus! Onder vele gedaanten had Frida zich dit tweetal al voorgesteld – maar zóó in geen geval, zoo jong, zoo pleizierig, als deze jongen en dit meisje, beiden met een donkerblauwe pet op de blonde haren, beiden in een lichtbruine regenjas. Nu schoof de boot steeds meer naar den oever.

De touwen werden uitgeworpen, wachtende handen vingen ze op en wierpen ze als een lus om de korte witgekopte palen. Ratelend over de keien kwam de loopplank nader; forsche handen hieven die hoog, tot hij gegrepen werd door het volk aan boord – en allerlei menschen snelden de loopplank op, ook de jongen en het meisje, die zoo dapper hadden staan wuiven.

‘Daar is Frida! welkom! welkom! Dag Frida! Wat is ze groot – veel grooter dan ik!’ en tante Truus sloeg de armen om het verbijsterde meisje heen en kuste haar op beide wangen, dat het klapte. ‘Hier Hans, geef jij ze ook een zoen, je Indische nicht – wel, daar is Frida dan toch eindelijk! Kind, kind, ik dacht, dat die Sindoro nooit zou komen. Mijn beenen vielen haast af. Ach Frida, wat zie je er koud uit! En wat een echte Indische ben je! Lieve deugd, hoe is het toch mogelijk! Mijn broer is toch zoo blond en blozend! Of is hij misschien niet blozend meer? Heb je je baboe meegebracht? Heb je……’

‘Ziezoo, Truus, nu houd je je mond eens voor een poosje,’ commandeerde oom Hans, die ondertusschen Frida ook gekust had en door het geratel van zijn meisje heen een paar hartelijke woorden tot Frida gezegd had.

‘Zie je niet, dat je haar heelemaal verschrikt? Ja’ – ging hij plagend tot Frida voort: ‘alle nieuwaangekomenen moeten eerst wennen aan tante Truus, want die babbelt je gewoonweg omver. Waar is je baboe nu? We wilden gaarne den trein halen, zie je. Grootmoeder wacht al lang en met verlangen op haar kleindochter.’

‘Gaat u even mee naar mijn hut, oom en tante!’ vroeg Frida bescheiden. ‘Daar is baboe, ik moet haar wat helpen dragen.’

‘Oom en tante!’ herhaalde Truus trotsch en tevreden. ‘Zeg Hans, dat laten we zoo, al was het alleen vanwege de curiositeit, zie je. We hebben hier nog drie nichten,’ ging ze tot Frida voort. ‘Je weet wel, die kinderen van oom Adriaan. Nu, die willen nooit oom en tante tegen ons zeggen. Dat zijn dan ook een paar, neen drie vervelende – enfin, je moet zelf maar zien, hoe je ze vindt. Ik had je willen voorstellen om Truus en Hans te zeggen, maar ik vind het zoo gezellig klinken – en je ben er nu toch uit je eigen mee begonnen – zeg jij maar oom en tante, hoor! We zullen ons best doen, ons je respect waardig te maken, hé Hans?’

En ze trok Frida eens vriendschappelijk aan de vlecht. Daarop volgde ze haar naar haar hut.

Baboe rees op van den koffer, waarop ze gezeten had en lachte wat verlegen tegen de nieuwaangekomenen. Truus gaf haar een hand en barstte opeens tot groote en koddige verbazing van Frida en baboe in een stroom maleisch los:

‘Saja soeka sama orang Jawa! (Ik heb veel met Javanen op.)’

‘Kent u maleisch, tante?’ vroeg Frida dadelijk, blij al.

‘Verheug je niet te vroeg, kind!’ antwoordde ze lachend. ‘Zoo’n enkel welkomstgroetje heb ik ter eere van Amina in petto gehouden, zie je. Ach, wij Haagschen met Indische relaties kennen allemaal zoo’n hapje maleisch en men beweert, dat een baboe ’t erg prettig vindt, als je de kennismaking met deze woorden aanvangt!’

‘Zoo?’ vroeg Frida, verbaasd over dit kijkje, dat ze kreeg op de Haagsche knapheid. ‘Nu, ik geloof best, dat Amina het prettig heeft gevonden, tante – nietwaar Amina?’ ‘Saja, nonna!’ zei baboe lachend nog, en liet al haar vreeselijke, leelijke, zwarte tanden zien. ‘Maar Amina had het ook wel begrepen, als u het in het Hollandsch had gezegd, want ze verstaat alles, nietwaar Amina?’ ‘Saja, nonna,’ zei de baboe weer, nu trotsch om haar knapheid. ‘Hé, dat spijt me!’ riep tante Truus wezenlijk teleurgesteld uit. ‘Ik had zoo gehoopt, dat jij en je baboe alleen maar maleisch zouden spreken, dat had zoo’n exotischen tint aan ons huis gegeven, hé Hans!’ ‘Nu, dat zullen we toch wel doen!’ stelde Frida haar gerust. ‘We vinden het beiden prettig, ons eigen taaltje te hebben en voor Amina is het in alle gevallen makkelijker.’ ‘Toe kinderen, laten we er nu eens aan denken aan wal te gaan!’ drong oom Hans aan. ‘Baboe, geef mij die koffer maar! Hei daar!’ en hij boog zich over de verschansing en zag uit naar een besteller, die met gretige blikken rondkeek of er niets te verdienen viel. Oogenblikkelijk rende deze naar de loopplank toe, de plank op en vervoegde zich bij oom Hans, met een beleefd tikken aan zijn pet.

Oom Hans belastte hem met den koffer en een paar valiezen en wilde toen zijn gezelschap naar den vasten wal commandeeren, doch Frida moest nog even afscheid nemen van den administrateur, die een weinigje toezicht over haar had gehouden gedurende de reis en van den kapitein, van wien ze veel vriendelijkheid had genoten, vooral voorbij Genua, toen het grootste deel der passagiers van boord was gegaan en hij dus meer tijd voor haar over had. ‘Nu,’ sprak de administrateur tot haar bij het scheiden, ‘ik zal je Papa gaan vertellen, dat je veilig bent overgekomen en hartelijk verwelkomd zijt geworden. Veel geluk in Holland! En meisje – zulk leelijk weer als vandaag is het niet altijd, hoor! Laat dat je troosten!’

Zoo was ze dan eindelijk reisvaardig. En daar gingen ze de loopplank af, eerst oom Hans, toen tante Truus, daarna Frida, die telkens bezorgd omkeek naar baboe, hoe die volgde op haar kleine, geen schoenen gewende voeten, en eindelijk de besteller. Aangekomen dus!

De grond, waarop ze stond, was Hollandsche grond; het land, dat ze bereikt had, was het Hollandsche land, vaders land – maar o! het hare niet! Droevig keek ze nog eenmaal om naar het schip, dat haar weggevoerd had uit haar lief geboorteland. De Sindoro zou weer terugkeeren, en zij, zij zou hier blijven! De wind gierde over de kade, ijskoud woei de tocht hun in het gelaat, toen ze onder den plaatijzeren boog doorgingen, die den toegang tot de terreinen van de Lloyd overwelft.

‘Je komt ook net in een heel ongelukkigen tijd, kindje!’ zei tante Truus, toen ze zag, hoe het meisje rilde. ‘Een ding is goed, je hebt je behoorlijk warm gekleed en je baboe erbij. Soms komen ze hier wel eens aan, die arme Indiegangers, in velletjes! in velletjes! De baboes zoo maar in sarong en kabaai. Hoe ben jij aan dat dikke goed gekomen?’

‘Papa had het voor mij en baboe besteld,’ vertelde Frida. ‘Het lag op ons te wachten, toen we in Genua kwamen.’ ‘Hoe slim bedacht en dat voor een man! Maar natuurlijk is het donkerblauw! Je jurk ook? Ja, dat dacht ik wel! O, jullie Indischen! Waarom dragen jullie toch nooit wat anders, als je arriveert, dan dat sombere, triestige donkerblauw? En til je rok eens op! Natuurlijk, bruine kousen! Dat ’s zoo’n echt Indische combinatie! Nou nog een bakergrijzen wintermantel en het kleinste kind in den Haag zal aan die kleurencombinatie zien, dat je kersvers gearriveerd ben uit den Oost, al was je zoo blond en zoo blozend als wij!’

‘Maar Trudel, dat kan Frida toch niet helpen!’ zei oom Hans vergoelijkend, denkend, dat Frida dezen aanval op haar toilet niets prettig zou vinden. Doch Frida moest lachen om tantes welsprekendheid en zei vroolijk: ‘Nu tantetje, Papa dacht zelf wel, dat het niet al te mooi en te smaakvol zou zijn. Als het maar dik genoeg was voor de reis van Genua tot hier! Papa heeft me een heeleboel geld mee gegeven en gezegd, dat ik u lief aan moest kijken en u vriendelijk vragen moest, of u hier goede en mooie kleeren voor me wou koopen.’

Tante Truus straalde van pleizier. Eensdeels, omdat ze voelde, hoe Frida nu al op haar gemak begon te komen en het Indische nichtje dus niet zóó verindischt was, als ze er wel uitzag; anderdeels omdat ze het een heel prettige opdracht vond, een jong meisje aardig en netjes aan te kleeden.

Buiten het Lloydgebouw riep oom Hans een wachtend rijtuig aan; de koffer werd opgeladen. Het viertal stapte in en daar ging het ratelend over de keien, naar de brug over de Koningshaven toe en vandaar naar het Beursstation,

Frida zat stilletjes te kijken, genietend weer, dat oom Hans en Tante Truus er zoo echt jong en prettig uitzagen. O, die zouden zich heusch niet te oud voelen om zich met haar te bemoeien!

Het vreeselijk geratel op de keien verhinderde ieder gesprek. Tante Truus knikte zoo nu en dan eens tegen Frida en zag Frida in haar oogen, dat ze blij was met haar nieuwe nicht – en dan keek ze weer naar oom Hans, en die zag de blijdschap ook. Zoo glimlachten ze alle drie dan en de baboe deed verlegen mee en deed tante Truus schrikken van die vreeselijke, vreeselijke tanden.

‘Dat moest bij politieverordening verboden zijn!’ zei tante Truus later tot oom Hans. ‘Een stel nieuwe zal te duur zijn voor het kind, hé?’

Oom Hans vertelde het gesprek aan Frida over en die lachte hartelijk op het idee, dat alle baboehoudende dames eens de monden van haar baboes gingen verzorgen. Dan zouden het immers geen baboes meer zijn! Zóó hoorde ’t nu eenmaal, en men dacht er dadelijk de sirih-doos en het rustige sirih-kauwen bij – neen, tante Truus moest maar wennen aan die tanden!

Aan het Beursstation stapten ze uit en klommen de hooge trap op naar boven.

Frida kwam uit de binnenlanden; ze had gewoond te midden der koffieplantages in de buurt van Bandoeng; zoo nu en dan had ze weleens in Batavia of op Buitenzorg gelogeerd en dus een stad leeren kennen, maar veel van de wereld had ze nog niet gezien, dan nu op haar reis zelf, en toen was het maar zoo vluchtig geweest! Ze keek zich de oogen uit, toen Hans met haar het perron op en neer liep en haar telkens aan de balustrade bracht om haar een mooi, druk stadsgezicht te laten zien.

Dat was wonderlijk! Een perron hoog boven de pleinen en straten; een spoorweg langs de hoogere verdiepingen der huizen, een heele spoorweg in de lucht gebouwd, inplaats op den grond.

Daar naderde de trein en ze zochten een goed plaatsje; met hun vieren in een coupé. Een geregeld gesprek begon pas na het station Delftsche poort, want Frida had het veel te druk met alles op te merken, wat oom Hans aanwees, vond het erg grappig, dat ze soms bij de menschen op tafel keek, en heel interessant, om langs het marktplein te rijden, waar ze diep in de laagte de drukke menschjes kon zien met hun kraampjes en wagentjes.

‘En nu, kind! vertel me eens wat van mijn broer!’ begon Truus, toen ze door de weilanden reden, op Den Haag af.

Het ontging Frida niet, dat ze dit met eenigen trots zei: mijn broer.

Tante Truus was de jongste uit het gezin en Frida’s vader de oudste – ze scheelden liefst twintig jaren. Tante Truus was geboren, even voor de oudste zoon het ouderlijk huis verliet, waar hij nog maar ééns was terug gekomen, toen tante Truus tien jaar was. Nu zou hij over twee jaar voor goed thuis komen en tante Truus vond het heel gewichtig zulk een grooten broer te hebben.

Frida was al een voorproefje van die heerlijke gewichtigheid; zoo’n groote nicht te hebben, die zelfs uit haar eigen tante zegt! ‘U moet vele hartelijke groeten van vader hebben en vele zoentjes van Zus,’ begon Frida. ‘Vader maakt het heel goed en verlangt erg om weer hier te zijn. Vader heeft zelf in mijn koffer allerlei dingen gepakt voor u en oom Hans en Grootmoeder en de nichtjes.’ ‘Welke nichtjes, kind?’ vroeg tante Truus haastig. ‘De kinderen van Oom Adriaan.’ ‘O, zie je, ik dacht, dat je hier misschien nog nichtjes had van je mama’s kant. Neen? O, en dus heb je wat voor de nichtjes bij oom Adriaan meegebracht? Nu, dan hoop ik, dat het naar hun zin zal zijn.’ En tante Truus keek heel strak en ernstig.

Oom Hans moest erom lachen. Frida begreep niet, waarom tante zoozeer hoopte, dat de kleine geschenkjes naar den zin der nichtjes zouden zijn en keek haar tante vragend aan, totdat oom Hans haar te hulp kwam. ‘Truus houdt nu niet zoo bar veel van die Adriaansche nichtjes, zie je! Maar ik vind het niet aardig van Truitje, om je dat te laten merken, want nu ga je bij voorbaat al het een en ander denken omtrent die nichtjes. Heusch, ze vallen wel mee, hoor, als je ze neemt, zooals ze zijn.’ ‘Hoe zijn ze dan?’ vroeg Frida slim. Oom Hans wilde een mooie beschrijving gaan geven van de Adriaanschen, zooals hij en zijn meisje ze altijd noemden, doch Truus voorkwam hem, en sneed met één enkel woord den pas tot verder antwoorden af.‘Haagsch!’ Frida was nog niets wijzer. Natuurlijk waren ze Haagsch, dat was tante Truus óók, doch toen ze dit wat verlegen te berde bracht, sprak tante Truus: ‘Nu, kind, ik zeg er verder niets meer van. Haagsch en Haagsch is twee, zie je. Dat moet je nu zelf maar ondervinden. Vertel me nu eens wat van Zus. Ze is toch mijn petekind? Waarom vermoffelen jullie dan haar naam zoo? Je moet Truus zeggen.’ ‘Lieve deugd! dat kan ik niet, tante!’ zei Frida verschrikt. ‘Hoe kan ik Zus nu ooit anders dan Zus noemen? Dat zijn we zoo gewend. Zus van den Oever heet ze. Hoe raar zou dat klinken: Truus van den Oever!’

‘Zoo? klinkt dat raar?’ vroeg tante met een grafstem en hoog opgetrokken wenkbrauwen. Oom Hans schaterde, Frida keek hulpeloos rond, tot ze opeens tot de ontdekking van haar onhandigheid kwam en met oom Hans meelachte. En toen vroeg ze de Truus van den Oever tegenover haar plechtig vergiffenis, dat ze ’t had durven bestaan de combinatie van haar vóór- en achternaam raar te vinden.

‘Zus is erg lief,’ begon ze eindelijk. ‘Ze is nu zes jaar en krijgt les. We hebben een gouvernante uit Holland laten komen. Een heele lieve gouvernante. Zus begint al lezen te leeren en ze maakt allerlei aardige dingetjes van papier en stokjes met kralen. Ik heb er een heeleboel in mijn koffer – ook een paar voor u, tante, omdat u haar peettante ben, al noemen we haar Zus,’ voegde ze er ondeugend bij. ‘Ze heeft me, toen ik wegging, een medaillon mogen geven met haar portret. Ik hou ’t meest van alles van Zus.’

Frida’s stem werd zachter; ze talmde lang om den horlogeketting met het medaillon onder haar mantel vandaan te halen en trachtte in dien gewonnen tijd haar tranen te bedwingen. Doch het ging niet, en een groote traan viel juist op het aanvallige meisjesgezichtje, toen ze den gouden plaat had verschoven, die het portretje bedekte.

‘Nou, jij bent een verwende Indische nonna!’ zei tante Truus en nam het mooie, gouden medaillon met diamanten naamcijfer aan, dat Frida haar toereikte. ‘Wat een prachtstuk! Veel te mooi voor zoo’n aankomend ding!’ Maar ze lachte en Frida zag, dat het maar plagerij was en dat tante haar plaagde, om net te kunnen doen, of ze haar tranen niet zag.

Oom Hans was zoo diplomatiek niet. Die zag ze, en schaamde er zich niet voor. ‘Stil maar,’ troostte hij zijn nichtje. ‘Ik zal je gauw bij mijn broers brengen, dan zal je eens zien, dat het Hollandsche leven je wel zal bevallen.’

Truus lachte hartelijk. ‘O, Frida, hij zou de heele wereld wel bij zijn broers willen brengen, om door hen vertroost te worden! En hij zou zich zeer beleedigd gevoelen, als je hem niet bezwoer, dat zijn broers je wel tienmaal dat allerliefste, schattige zusje hebben doen vergeten. Maar kom, laat ik hem niet plagen. Ze zijn wezenlijk bijzonder in hun soort, mijn zwagers. O, Frida, wat die al niet op touw zetten! Ken je iets van muziek?’ ‘Ja,’ zei Frida en haar oogen schitterden. ‘Ik kan zingen!’ ‘Kind, wat zeg je dat vol vuur! Hou je er zooveel van?’ ‘O!’ antwoordde ze in verrukking. ‘Nu, dan zal je dubbel welkom zijn bij de zwagers, want ’t zijn verschrikkelijke muziekratten! Ze dwepen er mee! Zoo met Kerstmis of Paschen, of in de groote vacantie, als Frits uit Breda en Piet uit Willemsoord weer thuis is, dan toeteren je ooren compleet!’ ‘Hoeveel zijn er?’ vroeg Frida benieuwd. ‘Nog vier, behalve mijn dierbare Hans. Frits in Breda, Piet in Willemsoord. Hein in de vierde van het gym en Bob in de eerste. Leuk, dat het gauw Sint-Nicolaas is! Ik zou me sterk vergissen, als je ze dan niet opeens in volle fleur leerde kennen! Nu treft ’t dit jaar ook zalig! St.-Nicolaas valt op een Zaterdagavond en nu kunnen Frits en Piet verlof krijgen, omdat ze een schoon straflijstje hebben en tot de eenen behooren. De brieven vliegen al op en neer tusschen hen en het drietal hier. Je hoeft niet te vragen, wat er gebrouwen wordt?’

‘Maar mag ik dan ook komen?’ vroeg Frida schuchter. ‘Zeg, Hans, mag ze?’ lachte Truus, waarop Hans boog en plechtig sprak: ‘Het zal ons en onzen zwagers en broers een groote eer zijn, mejuffrouw Frida van den Oever op onze nederige festijnen te ontvangen.’ ‘Houd de zwagers maar te vriend, hoor Frida!’ raadde Truus. ‘Dan zal het je best meevallen in den Haag. Maar maak je nu gereed, we zijn er dadelijk.’  …………………. huizen schoven nader, daar was den Haag. Frida zag glimlachend naar haar baboe, die al dien tijd in een hoekje had gezeten en over de vlakke weilanden had gestaard. Die glimlach wilde zeggen: ‘Ik geloof, dat het me meevalt.’ En baboe keek zielsvergenoegd naar haar nonna, die ze met zoo’n angstig harte gevolgd was op haar lange, lange reis. Zou het waarlijk alles meevallen?

————-

Drie kwartier later hield het rijtuig stil voor een vriendelijk huis aan de Laan van Meerdervoort. Op zij had het een tuintje en een veranda, van voren was de salon uitgebouwd met een erker, en in dien erker stond Grootmoeder en wachtte op haar kleinkind. Nu verdween ze haastig uit den erker. Aan de deur van de kamer wachtte ze op Frida met twee open armen en het meisje lag even met haar koude wang tegen de zachte wang der oude dame. ‘Mijn lief kind!’ fluisterde Grootmoeder. ‘Welkom hier, welkom hier!’ Toen hield ze haar op een armlengte van zich af en zei tegen Truus: ‘Wat is ze groot! En zoo donker! Ze lijkt niet op haar vader, is ’t wel?’ ‘Neen,’ antwoordde Frida zacht: ‘Ik lijk op mijn moeder. O,’ en even kwam er een trek over haar gelaat, of ze zich heel vreemd en eenzaam voelde, ‘die heb u niet eens gekend.’ Grootmoeder zag de schaduw op Frida’s gelaat komen en greep haar hand. ‘Ik heb haar nooit zóó voor me gehad, in levende lijve,’ zei ze zacht. ‘Maar daarom ken ik haar wel! Ik heb immers haar brieven en haar portretten, en al haar lieve attenties aan haar oude moeder heb ik bewaard. Ze is me een even dierbare dochter geweest, als had ze iederen dag zoo in levende lijve voor me gestaan!’

Dankbaar boog Frida zich tot haar Grootmoeder over en kuste het lieve, oude gelaat. Toen zag ze om naar Amina. Die stond nog in de gang, het niet wagend deze eerste seconden te storen. ‘Ze verstaat Hollandsch, grootmoeder!’ sprak ze tot mevrouw van den Oever. En deze sprak een paar vriendelijke woorden tot het koude, bevende, kleine vrouwtje en riep de dienstbode, om haar haar kamertje te wijzen, dat ze haar goed kon afdoen. ‘En kom dan gauw bij de kachel, nietwaar?’ riep ze de baboe achterna, die haar toeknikte over de trapleuning.

Toen begon het vragen en vertellen, tot de korte dag ten einde was en de lamp werd opgestoken. En daarna sjorde oom Hans de kofferriemen los, want hij was veel te benieuwd naar wat hij wel krijgen zou van zijn nichtje, beweerde hij. Frida en Truus knielden samen bij den koffer neer en herschiepen de gezellige salon in een Oostersche bazaar. Wat had die goede, beste Papa al niet ingepakt! Japansch koper en Chineesch porcelein en twee zijden kimono’s, voor Grootmoeder en Truus ieder een, en waaiers van strak gespannen beschilderde zijde en ornamentjes van speksteen en kettingen en armbanden van munten en broches en ceintuurgespen van kleine en groote Chineesche letters in zilver, beduidend Vrede, of Liefde, of Roem. Oom Hans was met het zijne dolblij. Een album in palmhout gebonden, met op ieder blad een kleine verzameling gedroogde bloemen, geplukt op een der heilige plaatsen in het Heilige Land. Bloemen van den Gilead, bloemen van Bethlehem, bloemen uit Getsemané, bloemen van den Olijfberg. Hij kuste zijn nichtje er hartelijk voor.

En toen brachten ze met hun allen wat orde in de chaos en Frida beleefde het waarlijk, dat ze naar bed ging zonder zich eenzaam te voelen en in slaap viel, voor ze tijd gehad had om te schreien.

 

Nannie van Wehl

Pseudoniem van Susanne J.A, Reys (1880-1944) schreef niet alleen meisjesboeken, maar ook essays over pedagogische en feministische vraagstukken.

 

Left Menu IconMenu